Demenz

12301608_1107590305926128_6609895128261615573_nDe Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft recentelijk aangetoond dat op dit moment bijna 48 miljoen mensen aan dementie lijden en dat er ieder jaar bijna 8 miljoen ziektegevallen bijkomen. In het jaar 2050 wordt geschat dat het aantal mensen met dementie bijna verdriedubbeld is tot 135 miljoen.

De nieuwe compositie ‘Demenz’ is het resultaat van de vijfde samenwerking van componist Vincent Cox, dirigent Frank Marx en wetenschapper Tim Leufkens. Het is een eerbetoon aan mensen die lijden aan dementie en aan hun naasten en verzorgers.

De gestage achteruitgang van de hersenfuncties en het dagelijks functioneren en de langzaam veranderende persoonlijkheid van dementiepatiënten, met af en toe een ‘opleving’, vormen de thematische rode draad van deze bijzondere productie. De opbouw en structuur van de compositie lopen parallel met het verloop en de stadia van de ziekte zelf. Er worden drie hoofdfasen (en dus ook drie delen) onderscheiden: het vroege, het midden en het late stadium. De titel van het werk is het Duitse woord voor Dementie. De gebruikte teksten in de compositie zijn van Bernlef, Friedrich Nietzsche en Wolfgang Maximilian von Goethe.

Deel 1: Frühes Stadium

Het verloren gaan van herinneringen, in omgekeerd chronologische wijze, is een van de meest prominente symptomen van dementie. De compositie begint dan ook met een rijk thematische melodie die naar het einde toe vervaagt. In het beginstadium van dementie is ook vaak sprake van ontkenning van het feit dat het denken achteruit gaat. Het komt voor dat de patiënt opstandig wordt. Er dienen zich de eerste tekenen van verwarring aan en er ontstaat een eerste hulpvraag. Ontkenning, opstandigheid, verwarring en hulp van naasten worden verklankt in het eerste deel. Het deel eindigt met de muzikale verbeelding van paniek- en onrustgevoelens.

Deel 2: Mittleres Stadium

In het midden stadium van dementie verergeren de symptomen. Het komt voor dat mensen dezelfde zinnen of vragen blijven herhalen. Ook raken sommige mensen in dit stadium erg gemakkelijk overstuur, boos of agressief of worden achterdochtig. Er ontstaan problemen met de waarneming en in sommige gevallen hebben mensen hallucinaties.

Deel 3: Spätes Stadium

In het late stadium van dementie kan het verlies van geheugen erg uitgesproken zijn. Hierbij herkennen patiënten bekende voorwerpen, mensen of omgevingen niet meer. Soms kunnen er toch onverwachte momenten van herkenning optreden. Mensen met dementie gaan ook lichamelijk achteruit. Ze gaan schuifelen en worden uiteindelijk bedlegerig. Er is een geleidelijk verlies van de spraak, hoewel zij soms een paar woorden blijven herhalen of van tijd tot tijd zelfs schreeuwen. Ze worden onrustig en lijken te zoeken naar iets of iemand. Ook is er sprake van verdriet of agressie, vooral als ze zich bedreigd voelen.

Het einde van het muziekstuk is niet ondergedompeld in rouw. Bij rouw denken we in eerste instantie aan de kleur zwart. Bij dementie is echter ook sprake van witte rouw. Dit houdt in dat degene aan wie we verlies lijden door zijn of haar dementie nog leeft. Tijdens het verloop van de ziekte wordt al afscheid genomen van de persoon en rouwen de naasten al ondanks de fysieke aanwezigheid van degene die de ziekte heeft.

Teksten:

“Wenn man etwas sehen möchte sollte man es zuerst erkennen”, ”Ohne Erinnerung kann man nur schauen” (Bernlef)

“Betrachte die Heerde, die an dir vorüberweidet: sie weiss nicht was Gestern, was Heute ist, springt umher, frisst, ruht, verdaut, springt wieder, und so vom Morgen bis zur Nacht und von Tage zu Tage, kurz angebunden mit ihrer Lust und Unlust, nämlich an den Pflock des Augenblickes und deshalb weder schwermüthig noch überdrüssig.”

“Der Mensch fragt wohl einmal das Thier: warum redest du mir nicht von deinem Glücke und siehst mich nur an? Das Thier will auch antworten und sagen, das kommt daher dass ich immer gleich vergesse, was ich sagen wollte – da vergass es aber auch schon diese Antwort und schwieg: so dass der Mensch sich darob verwunderte. Er wundert sich aber auch über sich selbst, das Vergessen nicht lernen zu können und immerfort am Vergangenen zu hängen: mag er noch so weit, noch so schnell laufen, die Kette läuft mit. Es ist ein Wunder: der Augenblick, im Husch da, im Husch vorüber, vorher ein Nichts, nachher ein Nichts, kommt doch noch als Gespenst wieder und stört die Ruhe eines späteren Augenblicks. Fortwährend löst sich ein Blatt aus der Rolle der Zeit, fällt heraus, flattert fort – und flattert plötzlich wieder zurück, dem Menschen in den Schooss. Dann sagt der Mensch “ich erinnere mich” und beneidet das Thier, welches sofort vergisst und jeden Augenblick wirklich sterben, in Nebel und Nacht zurücksinken und auf immer erlöschen sieht.”

“Bringt endlich der Tod das ersehnte Vergessen, so unterschlägt er doch zugleich dabei die Gegenwart und das Dasein und drückt damit das Siegel auf jene Erkenntniss, dass Dasein nur ein ununterbrochenes Gewesensein ist, ein Ding, das davon lebt, sich selbst zu verneinen und zu verzehren, sich selbst zu widersprechen.” (Friedrich Nietzsche)

“Wie schön! wenn aus vergang’nen Zeiten Ein Jugendhauch den Geist bewegt, Und leis’ an längst verklung’ne Saiten Des viel bewegten Herzens schlägt! Ist es ein Traum aus frühen Tagen? Ist es der Kindheit Sonnenblick? Ich fühl’ es tief und kann’s nicht sagen,
Ich fühle erster Tage Glück. Was mir dazwischen hingeflossen, Vergessen ist es wie das Heut; Was mich umgibt, wird übergossen Vom Zauber der Vergangenheit.” (Wolfgang Maximilian von Goethe)